Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat X B heeft gemachtigd om aangifte namens haar te doen. De verstrekking van een beconnummer aan B is daartoe namelijk onvoldoende.

Belanghebbende, X, en A zijn op huwelijkse voorwaarden gehuwd (koude uitsluiting). De IB-aangiften worden verzorgd door B, die daarbij gebruik maakt van de beconregeling. Eind 2011 gaan X en A uit elkaar. B dient vervolgens de IB-aangiften voor X en A in. De hypotheekrente wordt daarbij volledig aan A toegerekend. X maakt bezwaar en stelt dat zij B niet heeft gemachtigd om de aangifte in te dienen.

Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat X B heeft gemachtigd om aangifte namens haar te doen. Het hof gaat er dan ook vanuit dat B bij het indienen van de aangifte en de verdeling van de aftrekposten niet handelde op grond van een hem door X verleende volmacht. Ook mocht de inspecteur volgens het hof niet aannemen dat X aan B een toereikende volmacht had verleend voor het doen van aangifte voor het jaar 2010. Volgens het hof is de verstrekking van een beconnummer aan B daartoe namelijk onvoldoende. De verstrekking van een beconnummer is volgens het hof namelijk geen verklaring of gedraging van X als bedoeld in art. 3:61 BW. Ook houdt het verstrekken van een beconnummer volgens het hof niet in dat er sprake is van een doorlopende machtiging. Verder is volgens het hof ook niet van belang dat X geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aangiften over de voorgaande jaren. Het hof verlaagt de aanslag uiteindelijk met € 5183.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.120

Editie: 2 juni

Instantie: Hof Den Haag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Informatiesoort: VN Vandaag

  14
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen