De Hoge Raad oordeelt dat toen vof X op 18 november 2014 hoger beroep aantekende bij haar geen gerechtvaardigde verwachtingen konden bestaan omtrent de toekenning van een vergoeding van de proceskosten. Het hof heeft de samenhang terecht beoordeeld aan de hand van de per 1 januari 2015 geldende tekst van het Bpb.

Vof X doet in 2011 BPM-aangifte en draagt de belasting af. Zij gaat terzake op 18 november 2014 in hoger beroep. Volgens Hof Amsterdam hangt de onderhavige zaak samen met vijf andere zaken. Het per 1 januari 2015 aangepaste art. 3 lid 2 Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kan daarom terzake van de proceskostenvergoeding worden toegepast. Vof X klaagt in cassatie dat aldus het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden.

De Hoge Raad oordeelt dat toen vof X hoger beroep aantekende bij haar geen gerechtvaardigde verwachtingen konden bestaan omtrent de toekenning van een vergoeding van de proceskosten. Het hof heeft de samenhang terecht beoordeeld aan de hand van de per 1 januari 2015 geldende tekst van het Bpb. Het hof heeft echter ten onrechte geoordeeld dat de zes zaken samenhangen. Bij drie zaken was namelijk door de inspecteur hoger beroep ingesteld. Deze zaken kunnen niet samenhangen met de drie hoger beroepen van vof X. Het beroep van vof X is deels gegrond. De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de inspecteur in de kosten van het geding voor het hof. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nr. 16/03437 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Bpb.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Besluit proceskosten bestuursrecht 3

Algemene wet bestuursrecht 8:75

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Informatiesoort: VN Vandaag

  22
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen