X ontvangt over 2022 een voorschot huurtoeslag van € 4024. De inspecteur legt de aanslag IB/PVV 2022 op met een rendementsgrondslag van € 39.433. Dienst Toeslagen stelt de huurtoeslag definitief vast op nihil wegens een te hoog vermogen. X maakt bezwaar en betoogt dat de Wet rechtsherstel box 3 doorwerkt naar de vermogenstoets van art. 7 lid 3 Awir. Dienst Toeslagen wijst het bezwaar af en stuurt het door naar de inspecteur, die het aanmerkt als bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2022 en niet-ontvankelijk verklaart. In geschil is of de Wet rechtsherstel box 3 doorwerkt naar de vermogenstoets van art. 7 lid 3 Awir voor de huurtoeslag.
Hof Den Haag oordeelt dat X tegen de aanslag IB/PVV 2022 en de rendementsgrondslag van € 39.433 geen zelfstandige gronden aanvoert en dat deze terecht en naar het juiste bedrag zijn vastgesteld. Het betoog dat de Wet rechtsherstel box 3 doorwerkt naar de vermogenstoets van art. 7 lid 3 Awir kan niet leiden tot verlaging van de aanslag, terwijl de toeslagbeschikking in deze procedure niet voorligt. De belastingrechter is bovendien niet bevoegd kennis te nemen van een geschil over de toeslagbeschikking. X' hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 7
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 8A
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.2
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.3
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.5
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 21J
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.15
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Toeslagen en zorgverzekeringswet, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 21 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag