X is in 1993 naar België geëmigreerd. Van 1968 tot 1990 werkte hij – deels via een eigen BV – als apotheker in Nederland. In geschil is of Nederland in 2020 en 2021 het heffingsrecht heeft op het uit Nederland afkomstige pensioen van Nationale Nederlanden. Eerder stelde Hof ’s-Hertogenbosch de inspecteur voor 2016 tot en met 2019 in het gelijk (V-N 2025/47.8). Volgens X was de opbouw van het pensioen destijds niet fiscaal gefacilieerd in Nederland. Hij zou de premies namelijk niet in de IB-sfeer hebben afgetrokken. De BV zou de premies slechts in rekening-courant hebben voorgeschoten.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X heeft nagelaten om zijn stelling met objectieve gegevens te onderbouwen. De uitkeringen komen voort uit in het verleden door zijn BV aan X toegezegde pensioenaanspraken. Dergelijke pensioenen waren in de opbouwfase over het algemeen fiscaal gefacilieerd. X maakt niet aannemelijk dat dit in zijn geval anders was. Er is wel begrip dat X door het tijdsverloop in bewijsnood verkeert, maar dat komt voor zijn eigen rekening. Ook de belastingrente is terecht in rekening gebracht, ondanks dat de inspecteur hem geen aangiftebiljetten had toegezonden. X had zijn inkomensgegevens per brief verstrekt aan de inspecteur. Voorlopige aanslagen overeenkomstig die gegevens zouden niet hebben voorkomen dat bij de definitieve aanslagen alsnog belastingrente werd berekend.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 11
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30F
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Internationaal belastingrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 21 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag