X woont in 2024 in Frankrijk en beschikt over twee onroerende zaken in Nederland. De inspecteur legt aan X een voorlopige aanslag IB 2024 op naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.625. X maakt bezwaar tegen deze voorlopige aanslag. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk en merkt het aan als herzieningsverzoek. De inspecteur wijst het herzieningsverzoek af, omdat om systeemtechnische redenen nog geen rekening kan worden gehouden met het werkelijk rendement. X stelt beroep in tegen beide beslissingen. X dient geen formulier Opgaaf Werkelijk Rendement in en geeft zelf aan dat het forfaitaire rendement voor haar gunstiger is dan het werkelijke rendement.
In geschil is of het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB 2024 terecht niet-ontvankelijk is verklaard en of het herzieningsverzoek terecht is afgewezen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat bezwaar tegen een voorlopige aanslag IB wettelijk niet mogelijk is, zodat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het herzieningsverzoek heeft de inspecteur eveneens terecht afgewezen. Een voorlopige aanslag berust op een schatting en op grond van art. 23 lid 2 onderdeel a Uitvoeringsregeling AWR kan van aanpassing worden afgezien als een wijziging niet in de automatisering kan worden verwerkt. De inspecteur licht toe dat het systeem het werkelijk rendement nog niet kan verwerken. De rechtbank volgt X niet in haar standpunt dat de inspecteur het verzoek moet aanhouden, nu bij de definitieve aanslag nog rekening kan worden gehouden met het werkelijk rendement. Bovendien heeft X geen Opgaaf Werkelijk Rendement ingediend en erkend dat het forfaitaire rendement gunstiger is. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.6
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.5
Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 artikel 23
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 21 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag