X drijft een eenmanszaak als Indiaas restaurant en doet per kwartaal aangifte omzetbelasting. De inspecteur constateert een verschil tussen de balanspositie omzetbelasting in de aangifte IB/PVV en de aangifte omzetbelasting 2017 en legt 27 maart 2021 een naheffingsaanslag op. X dient op 15 juni 2022 pro-forma bezwaar in. Na telefonisch contact tussen de inspecteur en de toenmalige adviseur van X kondigt de inspecteur uitspraak op bezwaar aan. Op 30 december 2022 verklaart de inspecteur het bezwaar niet ontvankelijk. X gaat op 7 oktober 2024 in beroep en stelt dat hij de uitspraak op bezwaar niet heeft ontvangen.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat het beroep van X tijdig is, ondanks dat het beroepschrift ruim anderhalf jaar te laat is ingediend. De inspecteur toont niet overtuigend aan dat de uitspraak op bezwaar is verzonden naar de voormalig gemachtigde. In het verzendrapport staat vermeld dat de uitspraak naar het woonadres van X zou zijn verzonden. Het bezwaar is echter ingediend door de voormalig gemachtigde van X. De uitspraak op bezwaar is niet bekendgemaakt op de voorgeschreven wijze. Met het telefoongesprek op 27 september 2024 is X ermee bekend geworden dat uitspraak op bezwaar is gedaan. Vervolgens is op 7 oktober 2024 beroep ingesteld. Het beroep is daarmee tijdig ingediend. De rechtbank oordeelt vervolgens dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.17
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.9
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.9
Algemene wet bestuursrecht artikel 3.41
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 29 juni
Informatiesoort: VN Vandaag