Rechtbank Limburg oordeelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing geeft aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van art. 30a lid 1 Wet WOZ bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar. De gemachtigde van X onderbouwt voldoende dat haar bedrijfsmodel niet op basis van no cure no pay opereert en kwalificeert daarmee als bijzonder geval.

X maakt bezwaar tegen de WOZ-waarde van haar onroerende zaken voor het jaar 2025. De heffingsambtenaar verklaart het bezwaar gegrond en kent een proceskostenvergoeding toe onder toepassing van de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van art. 30a lid 1 Wet WOZ. X verzoekt de rechtbank deze bepaling buiten toepassing te laten omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het 30a-arrest (HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, V-N 2025/5.27). De gemachtigde onderbouwt dat haar bedrijfsmodel vanaf 2025 is gewijzigd en legt facturen en betaalbewijzen over. Daaruit blijkt dat een groot deel van haar cliënten een besparingsfee van minimaal 30% van de belastingbesparing betaalt en dat de meeste cliënten daarnaast een startfee verschuldigd zijn.

Rechtbank Limburg oordeelt dat de gemachtigde van X voldoende onderbouwt dat zij in 2025 voor een groot deel van de procedures een besparingsfee van 30 tot 40% van de belastingbesparing in rekening brengt. Door die besparingsfee lopen cliënten een financieel risico dat niet dusdanig laag is dat sprake is van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met no cure no pay. De gemachtigde is daarom een bijzonder geval in de zin van het 30a-arrest van de Hoge Raad en de heffingsambtenaar geeft ten onrechte toepassing aan art. 30a lid 1 Wet WOZ. Het beroep is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet waardering onroerende zaken artikel 30A

Instantie: Rechtbank Limburg

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 22 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

9

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen