Belanghebbende, X, schakelt een gemachtigde in om te procederen tegen de WOZ-waardering. Rechtbank Den Haag verlaagt de WOZ-waarde, maar verwerpt het verzoek van X om de proceskostenvergoeding te berekenen zonder toepassing van de matigingsfactor van art. 30a Wet WOZ. De zaak van X is volgens de rechtbank geen bijzonder geval als bedoeld in HR 17 januari 2025, V-N 2025/5.27. In hoger beroep oordeelt Hof Den Haag in een tussenuitspraak dat de zaak ten tijde van het instellen van beroep wel een bijzonder geval is. Het bedrijfsmodel heeft niet de kenmerken van no cure no pay. Het hof stelt X in de gelegenheid te bewijzen dat dit ook het geval is ten tijde van het instellen van hoger beroep.
Hof Den Haag oordeelt dat ook bij het instellen van hoger beroep geen sprake was van no cure no pay. Uit de opdrachtovereenkomsten en facturen blijkt dat de gemachtigde sinds 1 januari 2024 voor nieuwe procedures bedragen in rekening brengt die niet zo laag zijn dat feitelijk alsnog sprake is van no cure no pay. Daarmee staat buiten redelijke twijfel vast dat cliënten financieel risico lopen. Anders dan de heffingsambtenaar betoogt, hoeft X niet alle overeenkomsten, facturen en betaalbewijzen over te leggen. De vermenigvuldigingsfactoren van art. 30a lid 2 Wet WOZ blijven daarom buiten toepassing. X krijgt voor beroep en hoger beroep samen een proceskostenvergoeding van € 2451,75.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 30A
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 22 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag