X BV is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Na een boekenonderzoek legt de inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting op over het tweede kwartaal van 2017, met belastingrente en een vergrijpboete. De gemachtigde van X BV reageert bij brief op het controlerapport, uitsluitend met betrekking tot de boetebeschikking. De inspecteur merkt die brief uit coulance aan als een pro-formabezwaar tegen de boete. Vervolgens informeert de inspecteur telefonisch naar de omvang van het bezwaar. De kantoorgenoot van de gemachtigde bevestigt dat het bezwaar alleen de boete betreft. X BV voert pas bij een latere brief gronden aan tegen de naheffingsaanslag. De inspecteur verklaart het bezwaar tegen de naheffingsaanslag niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat X BV niet tijdig bezwaar maakt tegen de naheffingsaanslag. De eerste brief betreft uitsluitend de boetebeschikking en geldt niet als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag. Uit de telefoongesprekken volgt dat X BV expliciet alleen bezwaar maakt tegen de boete. Uitsluitend omstandigheden vóór afloop van de bezwaartermijn zijn relevant. Art. 24a AWR is niet van toepassing op aanslagbiljetten met een dagtekening vóór de inwerkingtreding van deze bepaling. De versoepelde jurisprudentie over termijnoverschrijding baat X BV evenmin, nu geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 24A
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 22 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag