Hof Den Haag oordeelt dat twee van de drie investeringen inderdaad zijn aan te merken als uitbreidingsinvesteringen. Hiermee moet dan rekening worden gehouden bij het bepalen van de deelnemingsschuld.

De Belgische Z-groep is sinds 1908 actief in de internationale logistieke dienstverlening. In 2012 wordt het vastgoed ondergebracht in een aparte divisie, om extern financiering te kunnen aantrekken tegen relatief gunstige leningsvoorwaarden. Belanghebbende, X bv, maakt onderdeel uit van de vastgoeddivisie. In 2012 trekt X bv via een uitgifte van obligaties een financiering van € 30 mln aan bij externe partijen. Hiervan wordt ruim € 27 mln doorgeleend aan de Y-groep. In 2013 wordt deze vordering grotendeels omgezet in aandelenkapitaal. In 2014 geeft X bv wederom een onderhandse obligatielening, nu van € 7 mln, uit. Hiermee verwerft zij bijna alle aandelen in de vennootschap B. Deze aandelen zijn gekocht van een groepsmaatschappij, die tot de logistieke divisie behoort. In haar VPB-aangifte 2014 brengt X bv € 1,6 mln aan rente in aftrek. De inspecteur corrigeert de aangifte. Volgens de inspecteur is er namelijk sprake van bovenmatige deelnemingsrente (€ 712.349) in de zin van art. 13l Wet VPB 1969. X bv voert onder andere aan dat voor drie investeringen geldt dat zij zijn aan te merken als uitbreidingsinvesteringen en dat daar rekening mee moet worden gehouden bij de bepaling van de deelnemingsschuld.

Hof Den Haag oordeelt dat twee van de drie investeringen inderdaad zijn aan te merken als uitbreidingsinvesteringen. Hiermee moet dan rekening worden gehouden bij het bepalen van de deelnemingsschuld. Ten aanzien van een investering (de aankoop van een pand) stelt het hof vast dat de investering tijdig is gedaan en dat sprake is van een 'uitbreiding' van 'operationele activiteiten'. Voor een andere investering (de aankoop van een eigen magazijn) geldt dat er geen sprake is van financial lease. Voor de derde investering stelt het hof vast dat X bv niet aannemelijk maakt dat de gelden van een kapitaalstorting zijn besteed aan een investering. Het hof stelt het belastbaar bedrag vast op € 336.185. In een hersteluitspraak stelt het hof het bedrag uiteindelijk vast op € 170.940. Het hof is er door partijen namelijk op gewezen dat er bij de berekening van de verkrijgingsprijs van de deelnemingen een misslag is gemaakt.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 13l

Instantie: Hof Den Haag

Rubriek: Vennootschapsbelasting

Editie: 22 november

Informatiesoort: VN Vandaag

  750
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen