De Hoge Raad oordeelt dat X de tabaksproducten fysiek tot zijn beschikking en opzettelijk voorhanden heeft gehad. Vastgesteld is dat X economisch eigenaar is van de loods, de loods niet is verhuurd en hij toegang had tot alle ruimten van loods en ook in de loods is geweest.

X heeft achter zijn woning een loods, waarin door derden een illegale sigarettenfabriek is opgebouwd en een groot aantal tabaksproducten is vervaardigd. Dit is geconstateerd op 3 oktober 2018. Met het ter beschikking stellen van zijn loods heeft de strafkamer van Hof ’s-Hertogenbosch geoordeeld dat X als pleger kan worden aangemerkt van “opzettelijk voorhanden hebben” van accijnsgoederen. X krijgt 18 maanden cel, waarvan 6 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. X gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat art. 97 jo. art. 5 lid 1 Wet op de accijns niet het enkele “betrokken zijn bij voorhanden hebben” strafbaar stelt. Het hof heeft in zoverre een onjuiste rechtsopvatting gehanteerd. Dit leidt niet tot cassatie, omdat is vastgesteld dat X economisch eigenaar is van de loods, de loods niet is verhuurd en hij toegang had tot alle ruimten van loods en ook in de loods is geweest. X heeft de onveraccijnsde tabaksproducten op 3 oktober 2018 fysiek tot zijn beschikking en voorhanden gehad. Ook heeft het hof uit de vaststellingen kunnen afleiden dat X “minstgenomen bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard om onveraccijnsde tabaksproducten voorhanden te hebben”, en dat X dus het in art. 5 Wet op accijns opgenomen verbod opzettelijk als bedoeld in art. 97 Wet op accijns heeft overtreden. Voor het overige is het beroep ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO). Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt de straf ambtshalve gematigd.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de accijns artikel 5

Wet op de accijns artikel 97

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Accijns en verbruiksbelastingen

Editie: 20 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

31

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen