Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat door de inspecteur expliciet aan mevrouw X is gemeld dat door haar niet gelijktijdig bezwaar is gemaakt tegen de toekomstige tijdvakken. Haar suppletieaangiften van 2017 zijn dus terecht als bezwaren aangemerkt en wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Mevrouw X is arts-acupuncturist en betaalt vanaf het tweede kwartaal van 2013 tot en met het vierde kwartaal van 2014 btw op aangifte. X doet dit in verband met het vermeend vervallen van de btw-vrijstelling per 1 januari 2013. Uit HR 27 maart 2015, nr. 13/02667, V-N 2015/19.18 volgt echter dat haar diensten wel onder de vrijstelling blijven vallen. In oktober 2017 verzoekt X door middel van suppletieaangiften om teruggave van de ten onrechte afgedragen btw. In geschil is of deze 'bezwaren' wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk zijn verklaard. Volgens X was haar bezwaar van 17 mei 2013 tegen de aangifte van het eerste kwartaal 2013 wel tijdig en zou toen ook bezwaar zijn gemaakt tegen de aangiften van alle volgende kwartalen.

Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat door de inspecteur expliciet aan X is gemeld dat door haar niet gelijktijdig bezwaar is gemaakt tegen de toekomstige tijdvakken. Het bezwaar van 17 mei 2013 kan dus niet gelden als bezwaar tegen de aangiften van de volgende kwartalen. De suppleties zijn geen correcties van de aangiften, maar verzoeken om restitutie naar aanleiding van rechtspraak (zie HR 1 februari 2008, nr. 43.565, V-N 2008/8.9 en Hof Den Haag 30 maart 2012, nr. 10/00547, V-N 2012/39.7). De suppleties zijn dus terecht als bezwaren aangemerkt en terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen van X zijn ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 15

Wet op de omzetbelasting 1968 11

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Bronbelasting, Omzetbelasting

Instantie: Rechtbank Noord-Nederland

Editie: 13 juli

2

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen