Hof Arnhem-Leeuwarden verwerpt het standpunt van X dat de benedenverdieping van de onroerende zaak volledig dienstbaar is aan de daarboven gelegen woning. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

Belanghebbende, X, is eigenaar en gebruiker van een winkelruimte met bovenwoning. In geschil is of het object voor de OZB een woning is of een niet-woning. Voor woningen geldt een vrijstelling van de gebruikersbelasting en een lager tarief eigenarenbelasting.

Hof Arnhem-Leeuwarden (MK II, 24 oktober 2017, 16/01227, V-N Vandaag 2017/2601) verwerpt het standpunt van X dat de benedenverdieping van de onroerende zaak volledig dienstbaar is aan de daarboven gelegen woning. Het hof concludeert dat de winkelruimte nog steeds in gebruik is als winkel. Uit een uitdraai van een webpagina blijkt dat X op 1 januari 2015 nog steeds actief was in de handel in antiek en brocante. Voorts heeft X verklaard dat op 1 januari 2015 en daarna op de benedenverdieping van de onroerende zaak nog de voorraden van de tot en met 31 december 2014 gedreven onderneming waren opgeslagen, zij het sedertdien als privévermogen. De voorgevel van het pand is ongewijzigd gebleven en is voorzien van het opschrift van de onderneming. Ook is de etalage nog in gebruik voor de uitstalling van brocante-artikelen en vindt er daadwerkelijk verkoop plaats. Slechts een klein deel van de winkel is (mede) dienstbaar aan de bovenwoning. Het hof oordeelt dat de winkelruimte niet geheel tot woning dient dan wel volledig dienstbaar is aan woondoeleinden. Voor de OZB is het object een niet-woning.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Gemeentewet 220a

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Belastingen van lagere overheden

Instantie: Hoge Raad

Editie: 13 juli

3

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen