Staatssecretaris Van Rij van Financiën keurt via de toepassing van de hardheidsclausule goed dat een inbrenger van een in Nederland gelegen onroerende zaak in een voor de vennootschapsbelasting buitenlandse belastingplichtige APV alsnog de toerekeningsstop kan toepassen, ook wanneer het APV geen materiële onderneming drijft. Het moet gaan om een in Nederland gelegen onroerende zaak waarvan de verwerving volledig is gefinancierd met eigen vermogen.

Als een in Nederland gelegen onroerende zaak in een voor de vennootschapsbelasting buitenlandse belastingplichtige APV is afgezonderd wordt deze onroerende zaak voor de inkomstenbelasting aan de inbrenger of zijn erfgenaam toegerekend. De toerekening blijft achterwege als de toerekeningsstop van toepassing is. Hiervoor is onder andere vereist dat sprake is van een materiële onderneming. Wanneer het APV geen materiële onderneming drijft is de toerekeningsstop niet van toepassing. In een dergelijke situatie kan het afgezonderde vermogen zowel in de heffing van Nederlandse vennootschapsbelasting (op het niveau van het APV) als in de Nederlandse inkomstenbelasting (op het niveau van inbrenger) worden betrokken. Het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 biedt dan geen voorkoming. Hierdoor kan een onbillijkheid van overwegende aard ontstaan.

Door de inwerkingtreding van artikel II van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen doet deze situatie zich na 31 december 2024 niet langer voor. Vanaf 1 januari 2025 is, bij een ongewijzigde situatie, alleen inkomstenbelasting bij de inbrenger verschuldigd.

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 2.14a

[Nieuwsbron]

Rubriek: Inkomstenbelasting, Vennootschapsbelasting

Regelgevende instantie: Ministerie van Financiën

Editie: 13 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

381

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen