Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit. Bij het vaststellen van de primitieve IB-aanslag 2012 had de inspecteur de aangifte aan een nader onderzoek moeten onderwerpen.

A, die de aandelen G bv houdt, overlijdt in 2012. Zijn zoon, belanghebbende, X, is zijn enige erfgenaam. I behartigt de fiscale aangelegenheden van A. In de IB-aangifte 2012 van A verantwoordt I geen inkomen uit aanmerkelijk belang. Ook wordt geen verzoek tot doorschuiving gedaan. I schakelt een externe adviseur in voor het opstellen van de aangifte erfbelasting. In deze aangifte wordt een bedrag van € 577.000 opgenomen voor de aandelen G bv. Medio 2017 legt de inspecteur een IB-navorderingsaanslag IB 2012 op ten name van A in verband met het ab-inkomen. X is het hier echter niet mee eens omdat de inspecteur volgens hem niet beschikt over een nieuw feit.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit. Bij het vaststellen van de primitieve IB-aanslag 2012 had de inspecteur de aangifte aan een nader onderzoek moeten onderwerpen. Daarbij is van belang dat de aangifte is gedaan via een F-biljet en dat daarin is vermeld dat A geen fiscale partner had. Verder is in de aangifte ook vermeld dat A een aanmerkelijk belang bezat in G bv en ontbrak een verzoek om toepassing van de doorschuiffaciliteit ex art. 4.17a Wet IB 2001. Volgens het hof had de inspecteur dan ook, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van deze aangifte, in redelijkheid behoren te twijfelen aan de juistheid van het niet verantwoorden in de aangifte van een inkomen uit aanmerkelijk belang wegens een fictieve vervreemding. Daarbij is ook nog van belang dat de aangifte door het automatiseringssysteem van de Belastingdienst is ‘uitgeworpen’ en de inspecteur de aangifte daadwerkelijk aan een nader onderzoek heeft onderworpen en op grond daarvan met betrekking tot een andere post wel een correctie heeft aangebracht. Vervolgens wordt de stelling van de inspecteur, dat de waarde in het economische verkeer van de aandelen in G bv ten tijde van de fictieve vervreemding exact gelijk was aan de verkrijgingsprijs ervan, verworpen. Deze kans is verwaarloosbaar klein. De navorderingsaanslag wordt vernietigd.

[Bron Uitspraak]

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Rubriek: Bronbelasting, Inkomstenbelasting

Editie: 7 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

  616
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen