In de casus heeft belastingplichtige, X, een nabestaandenlijfrente bedongen na het overlijden van haar dochter. X heeft dertien jaar geleden de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. De nabestaandenlijfrente heeft een looptijd van twintig jaar conform art. 3.126a lid 4 onderdeel b onder 2 Wet IB 2001. De uitkeringen lopen een jaar. Op grond van dit artikel mag een nabestaandenlijfrente worden bedongen korter dan twintig jaar, aangezien X al de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. X wil de ingegane nabestaandenlijfrente omzetten in een nabestaandenlijfrente met een kortere looptijd.
Bij de omzetting van de ingegane nabestaandenlijfrente mag geen rekening worden gehouden met de verstreken uitkeringsduur. In deze casus moet de looptijd van de nieuwe nabestaandenlijfrente minimaal 7 jaar bedragen. De uitkeringsduur bedraagt namelijk tenminste twintig jaar, verminderd met het aantal jaren tussen het tijdstip waarop X de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt en het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn.
Wetsartikelen:
Wet inkomstenbelasting 2001 3.126a
Informatiesoort: VN Vandaag
Rubriek: Inkomstenbelasting
Regelgevende instantie: Belastingdienst
Editie: 5 juli