Rechtbank Zeeland-West-Brabant beslist dat de kosten die X heeft gemaakt voor een personeelsreis niet onder de gerichte vrijstelling vallen. Niet aannemelijk is dat de reis een (overwegend) zakelijk karakter had.

X exploiteert een reclamebureau. In 2018 gaat X met haar personeel (30 medewerkers) een lang weekend op reis. X merkt in haar aangifte loonheffing de kosten van de reis aan als kosten die vallen binnen de vrije ruimte. Conform het door de inspecteur naar aanleiding van het verzoek om vooroverleg ingenomen standpunt is een bedrag voor overschrijding van die vrije ruimte afgedragen van € 35.060. In geschil is het antwoord op de vraag of dit terecht is. X stelt dat gelet op het zakelijke karakter van de reis een gerichte vrijstelling van toepassing is op de reiskosten, de activiteiten en (het overgrote deel van) de verstrekte maaltijden. De inspecteur bestrijdt dit.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant beslist dat X, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk maakt dat de reis een (overwegend) zakelijk karakter had. X maakt onder andere niet aannemelijk dat de activiteiten bijdragen aan het onderhoud en de verbetering van kennis en vaardigheden ter vervulling van de dienstbetrekking. Geen van de gerichte vrijstellingen is van toepassing. Het bedrag van € 35.060 in verband met de overschrijding van de vrije ruimte is terecht afgedragen. Het beroep van X is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet op de loonbelasting 1964 31a

Wet op de loonbelasting 1964 10

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Loonbelasting

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Editie: 19 maart

37

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen