Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een logeerhuis voor families van zieke kinderen voor de toepassing van de OZB moet worden aangemerkt als woning.

X is eigenaar van een zogeheten logeerhuis voor familieleden van een kind dat is opgenomen in een ziekenhuis. De onroerende zaak bestaat uit een hoofdgebouw en een bijgebouw met een tijdelijke vergunning en bevat onder meer verschillende slaapkamers, een zeer ruime keuken, een verblijfsruimte en een wasruimte. In geschil is of het object voor de OZB een woning is of een niet-woning.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een logeerhuis voor families van zieke kinderen voor de toepassing van de OZB moet worden aangemerkt als woning. Uit de rechtspraak volgt dat als delen van een onroerende zaak naar aard en inrichting zowel bestemd als geschikt zijn om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen en waarbij de woonfunctie overheersend is, deze tot woning dienen, ongeacht of dat deel feitelijk duurzaam wordt bewoond. Dat is bij het logeerhuis het geval. Nu niet in geschil is dat de onroerende zaak gelet op deze rechtsregel in hoofdzaak tot woning dient, is, anders dan de heffingsambtenaar betoogt, geen sprake van een niet-woning. Het hof vernietigt de aanslag OZB. Voor de proceskostenvergoeding hanteert het hof voor het taxatierapport gelet op de omvang van het object wel de vergoedingsnorm voor niet-woningen.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Gemeentewet 220a

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Waardering onroerende zaken

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Editie: 10 augustus

147

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen