Hof Amsterdam oordeelt dat X geen belang had bij instellen van beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar inzake de kostenbeschikking. De immateriële schadevergoeding is ten onrechte door de rechtbank toegekend. De ontvanger heeft echter geen hoger beroep ingesteld.

X is opgericht in 1998 en is uitsluitend beherend vennoot van een CV, die sinds 2006 geen economische activiteit meer ontplooit. Haar enig bestuurder is de heer A, tevens gemachtigde van X, en enig werknemer van de CV. De ontvanger stuurt X op 21 maart 2017 een aanmaning voor het betalen van de VPB-aanslag over 2010, met € 16 aan kosten. Ondanks dat haar bezwaar tegen de kosten is afgewezen, stelt X de ontvanger in 2019 alsnog in gebreke wegens het niet tijdig doen van de uitspraak op bezwaar. Volgens Rechtbank Noord-Holland is het beroep van X niet-ontvankelijk, omdat de ontvanger al uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Zij krijgt wegens het overschrijden van de redelijke termijn wel een immateriële schadevergoeding van € 1000. X stelt in hoger beroep dat de vergoeding te laag is en dat zij ook recht heeft op een dwangsom.

Hof Amsterdam oordeelt dat X geen belang had bij instellen van beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar inzake de kostenbeschikking. De immateriële schadevergoeding is dus ten onrechte toegekend. Ondanks het misbruik door X van procesrecht blijft de vergoeding wel is stand. De ontvanger heeft namelijk geen hoger beroep ingesteld. De Staat is wettelijke rente verschuldigd over de vergoeding vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak van de rechtbank is gedaan tot de dag van de algehele voldoening.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 6

Kostenwet invordering rijksbelastingen 2

Instantie: Hof Amsterdam

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 27 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

250

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen