Rechtbank Gelderland oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat eenverdieners en tweeverdieners gelijke gevallen zijn. Er is geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel van artikel 26 IVBPR en artikel 1, twaalfde protocol EVRM.

Belanghebbenden is gehuwd en is vader van drie kinderen. Hij is de kostwinner van het gezin. In maart 2020 doet hij aangifte IB/PVV 2019 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 64.544. De inspecteur legt overeenkomstig de aangifte een aanslag op. Belanghebbende vindt dat hij en zijn echtgenote, in vergelijking tot tweeverdieners met hetzelfde gezinsinkomen, onevenredig veel belasting betalen. In geschil is of de aanslag IB/PVV 2019 terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat de bewijslast dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel op belanghebbende rust. Maar belanghebbende heeft niet aannemelijk kunnen maken dat eenverdieners en tweeverdieners gelijke gevallen zijn. De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van de Hoge Raad dat voor het onderscheid in fiscale behandeling van een eenverdiener en tweeverdiener een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Het beroep van belanghebbende is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8

Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 1

Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26

Instantie: Rechtbank Gelderland

Informatiesoort: VN Vandaag

Editie: 23 november

Rubriek: Inkomstenbelasting

  505
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen