Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat voor toepassing van de gewenningsregeling, het moment dat de maximale huurgrens voor de eerste keer wordt overschreden - in dit geval 1 juli 2013 - bepalend is.

Mevrouw X ontvangt in 2013 huurtoeslag. In 2014 en 2015 is geen huurtoeslag toegekend, omdat X toen een vermogen had dat hoger was dan het heffingsvrije IB-vermogen.. Over 2016 is de huurtoeslag definitief berekend op € 2493. In 2017 ontvangt X voorschotten huurtoeslag. In geschil of deze in 2018 terecht zijn herzien naar nihil. Volgens de inspecteur van de Belastingdienst/Toeslagen heeft X weliswaar huurtoeslag ontvangen in 2016, maar had zij hier feitelijk geen recht op omdat de rekenhuur toen al te hoog was. Rechtbank Den Haag stelt de inspecteur in het gelijk. X gaat in hoger beroep.

Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat voor toepassing van de gewenningsregeling (art. 13 lid 2 onderdeel c Wet op de huurtoeslag), het moment dat de maximale huurgrens voor de eerste keer wordt overschreden - in dit geval 1 juli 2013 - bepalend is. Omdat X vóór 1 juli 2013 huurtoeslag ontving, doet zij dus voor 2017 terecht een beroep op de gewenningsregeling. De inspecteur stelt vergeefs dat onafgebroken huurtoeslag moet zijn toegekend. Dit vloeit namelijk niet voorts uit de duidelijke wettekst. Het beroep van X is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet op de huurtoeslag 13

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Toeslagen en zorgverzekeringswet

Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Editie: 10 oktober

3

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen