Hof Amsterdam oordeelt dat het hanteren van een rekenrente van 4% bij het waarderen van een pensioenverplichting niet in strijd is met goed koopmansgebruik. Ook is er geen strijd met art. 1 EP EVRM en maakt X niet aannemelijk dat een individuele en buitensporige last aanwezig is.

A bv, de gevoegde dochter van belanghebbende, X bv, heeft een pensioenverplichting aan B, haar dga, en diens echtgenote. In de ingediende VPB-aangifte is de pensioenverplichting gewaardeerd op € 1,5 mln. Hierbij is een rekenrente van 4% gehanteerd. X bv is het niet eens met de waarderingsregels die gelden voor de pensioenverplichting. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het hanteren van een rekenrente van 4% bij het waarderen van een pensioenverplichting niet in strijd is met goed koopmansgebruik. Ook is niet van belang dat het toepassen van een rekenrente van 4% indruist tegen het realiteitsbeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel.

Hof Amsterdam is het met de rechtbank eens dat er geen sprake is van strijd met goed koopmansgebruik. Ook is er geen strijd met art. 1 EP EVRM en maakt X niet aannemelijk dat een individuele en buitensporige last aanwezig is. Daarbij acht het hof onder andere van belang dat de waarderingsregel de laatste jaren misschien in het nadeel van X bv uitwerkt, maar in het verleden ook in haar voordeel kan hebben gewerkt. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.29

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8

Instantie: Hof Amsterdam

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Pensioenen, Inkomstenbelasting

Editie: 3 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

  605
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen