De kantonrechter van Rechtbank Amsterdam wil prejudiciële vragen gaan stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over een beding in een doorlopende kredietovereenkomst. Het beding geeft de kredietverstrekker het recht de variabele kredietvergoeding op ieder moment eenzijdig te wijzigen. De vraag is of dit beding oneerlijk is.
Consumenten hadden een doorlopende kredietovereenkomst met een variabele kredietvergoeding afgesloten bij IB Krediet. Volgens de consumenten is de wijzigingsbepaling in de overeenkomst niet transparant en oneerlijk, en moet deze daarom worden vernietigd. Er staat niet in de kredietovereenkomst en ook niet in de algemene voorwaarden vermeld wanneer, met welke frequentie en aan de hand van welke criteria de hoogte van de kredietvergoeding kan worden gewijzigd. De consument kan de economische gevolgen van het sluiten van de overeenkomst dan ook niet inschatten.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat dat de rentebepaling en de wijzigingsbepaling als oneerlijk moeten worden aangemerkt. Hof Amsterdam kwam eerder in vergelijkbare zaken (ECLI:NL:GHAMS:2025:3655, ECLI:NL:GHAMS:2025:3656, ECLI:NL:GHAMS:2025:3657) tot het oordeel dat de bedingen, ondanks dat zij niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, geen redenen voor en wijze van wijziging vermelden en voorkomen op de indicatieve lijst, niet oneerlijk zijn in de zin van de richtlijn oneerlijke bedingen.
Omdat het oordeel van de kantonrechter in de huidige zaak afwijkt van de uitkomst van Hof Amsterdam in vergelijkbare zaken, wil de kantonrechter van het Hof van Justitie van de Europese Unie weten of dit beding oneerlijk is. Partijen mogen nog reageren op de geformuleerde vragen voordat de vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie worden gesteld.
De zaak heeft nummer ECLI:NL:RBAMS:2026:4196.
Bron: Rechtbank Amsterdam
Informatiesoort: Nieuws
Rubriek: Verbintenissenrecht