Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X BV, door de stortingen van de investeerders, een rekening-courantvordering heeft op de beheerstichting en dat die vordering niet kwalificeert als onzakelijke lening. X BV mag de rekening-courantvordering afwaarderen ten laste van haar resultaat.

X BV is in 2017 opgericht om in Nederland geld aan te trekken voor vastgoedprojecten in Latijns-Amerika. De investeerders storten in opdracht van X BV geld op een bankrekening van een beheerstichting. Omdat de beheerstichting slechts één bestuurder (A) heeft, wordt afgesproken dat B, op dat moment indirect belanghebbende in X BV, gemachtigde wordt van de bankrekening van de beheerstichting zodat zij een oogje in het zeil kan houden. In 2018 blokkeert de bank de bankrekening van de beheerstichting, omdat de beheerstichting een groot deel van de gelden voor andere doeleinden heeft aangewend. De civiele rechter oordeelt vervolgens dat sprake is van een onrechtmatige daad van bestuurder A en groepsaansprakelijkheid van gemachtigde B. In geschil is of X BV een vordering op de beheerstichting heeft en, zo ja, of zij die vordering ten laste van haar resultaat 2020 mag afwaarderen.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X BV, door de stortingen van de investeerders, een rekening-courantvordering heeft op de beheerstichting en dat die vordering niet kwalificeert als onzakelijke lening. X BV heeft de van de investeerders ontvangen gelden verkregen als vooruitontvangen aandelenkapitaal. Omdat X BV nog niet over een bankrekening beschikte, heeft zij de investeerders via het inschrijfformulier geïnstrueerd het geld over te maken aan de beheerstichting. Op het moment dat de investeerders geld overboekten naar de beheerstichting ontstond een rekening-courantvordering van X BV op de beheerstichting. Hieraan staat niet in de weg dat een akte van cessie ontbreekt waarbij de vordering is overgedragen aan X BV. X BV mag de rekening-courantvordering afwaarderen ten laste van haar resultaat. De inspecteur heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van: i) verbondenheid tussen X BV en de beheerstichting en ii) een geldverstrekking van X BV aan de beheerstichting. Het beroep van X BV is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.25

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8

Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 162

Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 166

Instantie: Rechtbank Noord-Holland

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Verbintenissenrecht

Editie: 17 april

Informatiesoort: VN Vandaag

18

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen