Tabako lapai UAB en A.K. worden strafrechtelijk vervolgd omdat zij zonder vergunning grote hoeveelheden aan accijns onderworpen tabaksfabricaten hebben vervaardigd en opgeslagen. Volgens de Litouwse douane blijkt uit een onderzoek dat de door Tabako lapai uitgevoerde tabak moet worden aangemerkt als rooktabak. De behandelde tabak is dus geen onbewerkte tabak. De Litouwse rechter stelt vervolgens vast dat de tabak voor de toepassing van de accijns onder het begrip ‘rooktabak’ kan vallen, terwijl deze tabak voor de toepassing van de douanerechten kan worden geacht niet geschikt te zijn om zonder ‘verdere industriële verwerking’ te worden gerookt, en als ‘ruwe en niet tot verbruik bereide tabak’ moet worden ingedeeld. De Litouwse rechter stelt prejudiciële vragen in deze zaak. Het Hof van Justitie EU heeft de zaak doorgezonden naar het Gerecht.
Het Gerecht oordeelt dat, voor de bepaling of sprake is van ‘rooktabak’ in de zin van art. 5 lid 1 onderdeel a EU-richtlijn 2011/64 (Tabaksaccijnsrichtlijn), de posten van de GN en de GN-toelichtingen niet van belang zijn. Volgens het Gerecht kan de indeling van producten in de categorie rooktabak in de zin van de Tabaksaccijnsrichtlijn niet op basis van de GN-toelichtingen in twijfel worden getrokken. Deze toelichtingen kunnen namelijk geen gevolgen hebben voor de definitie van rooktabak in de zin van de Tabaksaccijnsrichtlijn, omdat deze richtlijn niet verwijst naar de GN-codes om tabaksfabricaten die binnen haar werkingssfeer vallen te definiëren. Een en ander is niet in strijd met het algemene rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel.
Wetingang:
Instantie: Gerecht van de Europese Unie
Rubriek: Europees belastingrecht, Accijns en verbruiksbelastingen
Editie: 17 april
Informatiesoort: VN Vandaag