X [Schoger II] is een Oostenrijkse bank, die tevens het overkoepelende orgaan is van een Oostenrijkse fiscale eenheid op het gebied van de BTW. Volgens de Oostenrijkse fiscus vallen bepaalde grensoverschrijdende diensten van een medecontractant van X met betrekking tot geldautomaten niet onder de gebruikte BTW-vrijstelling. X is het daar niet mee eens. De zaak komt vervolgens terecht bij het Bundesfinanzgericht. Deze rechter vraagt zich af of een bepaalde BTW-vrijstelling geen staatssteun vormt en stelt daarom een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.
Het Hof van Justitie oordeelt dat de Oostenrijkse BTW-vrijstelling voor diensten die worden verricht tussen ondernemingen die zich hoofdzakelijk toeleggen op diensten van bancaire aard of op het gebied van verzekeringen of pensioenfondsen, staatssteun vormt. Het Hof van Justitie overweegt daarbij dat de vrijstelling voldoet aan de voorwaarde dat het door de betrokken maatregel aan de begunstigden ervan verleende voordeel selectief is. Daarnaast stelt het Hof van Justitie nog vast dat er geen reden is om de werking van het arrest in de tijd te beperken.
Wetingang:
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 107
Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rubriek: Europees belastingrecht, Omzetbelasting
Editie: 13 juli
Informatiesoort: VN Vandaag