De Hoge Raad oordeelt dat X de kosten van de verbeurdverklaarde auto en contanten niet als kosten in aftrek kan brengen. De zaken zijn namelijk niet verbeurdverklaard omdat zij geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten zijn verkregen.

X is betrokken geweest bij het vervaardigen van synthetische drugs. De strafrechter heeft hem onherroepelijk veroordeeld tot 54 maanden cel. Zijn auto en het bij hem aangetroffen contante geld zijn verbeurdverklaard op grond van art. 33a lid 1 Sr. De strafrechter overweegt daarbij dat met betrekking tot deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan. De inspecteur heeft aan X ambtshalve aanslagen in de IB-sfeer opgelegd. In geschil is of X de waarde van de auto en de contanten als kosten ten laste van zijn ROW kan brengen. X stelt dat de verbeurdverklaring de facto een ontneming is, waarvoor de aftrekbeperking niet geldt. Hof Amsterdam oordeelt dat geen recht bestaat op aftrek in de zin van art. 3.14 Wet IB 2001, uitgaande van de misdrijven waarvoor X onherroepelijk is veroordeeld en de door de strafrechter opgelegde bijkomende straf in de vorm van verbeurdverklaring. X gaat in cassatie en stelt dat geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor een fiscaal afwijkende behandeling van de verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als de baten van het strafbare feit, ten opzichte van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een strafbaar feit.

De Hoge Raad oordeelt dat X de kosten van de verbeurdverklaarde auto en contanten niet als kosten in aftrek kan brengen. X gaat er namelijk ten onrechte vanuit dat de strafrechter de auto en de contanten heeft verbeurdverklaard op de grond dat die voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten zijn verkregen (art. 33a lid 1 onderdeel a Sr). De Hoge Raad wijst er op dat de strafrechter de verbeurdverklaring heeft opgelegd omdat met betrekking tot de auto en de contanten de bewezenverklaarde feiten zijn begaan (art. 33a lid 1 onderdeel b Sr). Of de aftrekbeperking van art. 3.14 Wet IB 2001 met betrekking tot ontnemende verbeurdverklaringen in strijd is met het discriminatieverbod, kan daarom volgens de Hoge Raad in dit geval in het midden blijven. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.14

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.90

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Strafrecht, Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 13 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

94

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen