X is enig aandeelhouder van een BV. Per 31 december 2023 heeft hij een schuld van € 1.272.292 bij de BV. In geschil is of in verband met deze excessieve lening in 2023 een fictief regulier voordeel van € 572.292 is belast. Volgens X is deze heffing op stelselniveaustrijdig met art. 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM, dan wel met art. 6 en art. 7 EVRM.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid is gebleven. Zo kregen belastingplichtigen vijf jaar de tijd om op de nieuwe wetgeving te anticiperen. De heffing is namelijk al in september 2018 aangekondigd. Daarnaast telt een eventuele eigenwoningschuld niet mee, wordt bij terugbetaling van eerder in de heffing betrokken schulden negatief regulier voordeel in aanmerking genomen en is de drempel € 200.000 hoger dan wat oorspronkelijk was beoogd. Onder deze omstandigheden in samenhang is sprake van een redelijke, proportionele verhouding tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Het beroep van X is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.13
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.14A
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 6
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 7
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 14
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Europees belastingrecht, Inkomstenbelasting
Editie: 13 juli
Informatiesoort: VN Vandaag