X staat sinds 1975 officieel ingeschreven in Nederland en heeft twee nationaliteiten. Op 14 maart 2022 wordt geconstateerd dat hij met een Mercedes-Benz M1, voorzien van een buitenlands kenteken dat op zijn naam staat, alhier gebruik maakt van de weg. In geschil is de MRB-naheffingsaanslag van € 6708 over 5 juli 2019 tot en met 13 maart 2022, almede de verzuimboete van (uiteindelijk) € 551. Rechtbank Noord-Holland verlaagt de boete tot € 523 en kent een proceskostenvergoeding toe van € 975,50 (inclusief € 538 bezwaarkosten). In hoger beroep is niet meer in geschil dat X zijn hoofdverblijf in Nederland heeft.
Hof Amsterdam oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat de auto hem niet ter beschikking heeft gestaan tijdens het naheffingstijdvak. X stelt vergeefs dat hij de auto alleen gebruikt om auto's, die zijn zoon bedrijfsmatig in reparatie heeft, per trailer naar het buitenland te vervoeren. Onder beschikkingsmacht moet worden verstaan de bevoegdheid om de auto vrijelijk te kunnen gebruiken. Dit wordt bevestigd door wat bij de controle is vastgesteld. X verklaarde toen namelijk op weg te zijn naar zijn ex-vrouw en op de controlefoto staat geen aanhanger. De naheffing is terecht (zie HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483, V-N 2019/19.16). De klacht over de bezwaarkosten slaagt wel. Deze wordt verhoogd tot € 1332 (zie HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, V-N 2024/33.18) en de vergoeding voor het hoger beroep wordt vastgesteld op € 437,50 (wegingsfactor 0,25).
Wetingang:
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 artikel 13
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 artikel 34
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 artikel 37
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.15
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingheffing van motorrijtuigen
Editie: 13 juli
Informatiesoort: VN Vandaag