A BV is maat van Maatschap B. B exploiteert een fiscaal advieskantoor. B wordt benaderd door X BV voor fiscaal advies. X BV houdt zich bezig met de herontwikkeling van een gedeelte van een project. X BV is een projectvennootschap van projectontwikkelaar Y Vastgoed BV. In een memorandum beschrijft B het fiscale omslagpunt tussen overdrachtsbelasting en BTW. In 2021 kondigt de Belastingdienst aan dat, op grond van art. 11 Wet OB 1968, BTW-naheffingsaanslagen aan X BV worden opgelegd voor de levering van de onroerende zaken van het project. X BV stelt vervolgens A BV, B en de notaris aansprakelijk wegens een beroepsfout.
De civiele kamer van Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat B als belastingadviseur niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mocht worden verwacht. B is dan ook aansprakelijk voor de schade die X BV als gevolg van deze beroepsfout lijdt. De rechtbank overweegt daarbij onder andere dat B niet bij X BV aan de bel heeft getrokken, terwijl zij vanaf eind 2018 wist of had moeten weten dat op korte termijn art. 11 Wet OB 1968 van toepassing zou zijn terwijl er nog appartementen te koop stonden. De vorderingen van X BV op de notaris worden afgewezen. Volgens de rechtbank mocht de notaris namelijk vertrouwen op het advies van B en heeft de notaris daarom met het opnemen van de onjuiste belasting in de notariële aktes niet zijn zorgplicht geschonden. Het verzoek van X BV tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding wordt wel afgewezen omdat nog een procedure loopt tussen X BV en de Belastingdienst.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Omzetbelasting, Verbintenissenrecht, Kantoren
Editie: 13 juli
Informatiesoort: VN Vandaag