Minister Aartsen van Werk en Participatie heeft de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief naar de Eerste Kamer gestuurd.

Het kabinet wil hiermee mensen in flexibele contracten meer zekerheid bieden over hun inkomen en hun rooster, maar ook werkenden onder een uurtarief van €  38 – die recht menen te hebben op een arbeidsovereenkomst – een sterkere rechtspositie geven. Hiermee wordt getracht schijnzelfstandigheid zoveel mogelijk te voorkomen. Tegelijkertijd wil het kabinet ondernemingen en werkenden helpen om wendbaarder te zijn. Zo wordt er gewerkt aan een Zelfstandigenwet.

Het rechtsvermoeden heeft uitsluitend civielrechtelijke werking. Het rechtsvermoeden werkt niet rechtstreeks (publiekrechtelijk) door naar de uitvoering van de socialezekerheidswetgeving en de fiscaliteit. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen impact op de toezichthoudende en handhavende taken van de uitvoeringsorganisaties. De veronderstelde impact op de handhaving zag op het onderdeel verduidelijking, welke met de nota van wijziging (V-N 2026/13.7) is komen te vervallen.

Wetingang:

Burgerlijk Wetboek Boek 7

Burgerlijk Wetboek Boek 7

[Nieuwsbron]

Rubriek: Inkomstenbelasting, Loonbelasting

Regelgevende instantie: Staten-Generaal

Editie: 15 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

12

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen