Hoe wordt voorkomen dat de ene partner financieel benadeeld wordt bij het uit elkaar gaan door investeringen gedaan tijdens de relatie? Hiervoor bestaat het juridische begrip vergoedingsrecht. Een casus om aan te tonen hoe dit vergoedingsrecht werkt.
De casus luidt als volgt.
Vorig jaar is een vrouw getrouwd, zonder huwelijkse voorwaarden overigens. Samen kopen zij nu hun eerste eigen woning voor € 400.000. De vrouw heeft zelf flink gespaard de afgelopen jaren, waardoor zij € 100.000 van haar spaargeld kan investeren in de woning. Daardoor hoeven zij nog maar € 300.000 te lenen bij de bank.
Maar dan haar vraag: als ze nu onverhoopt over een aantal jaar van echt gaan scheiden, krijgt de vrouw haar investering van € 100.000 dan nog wel terug?
Uitwerking: voor echtgenoten en geregistreerde partners kent de wet een specifieke regeling voor vergoedingsrechten in art. 1:87 BW (in werking sinds 1 januari 2012). Deze bepaling ziet op de door de vrouw genoemde situatie. Het antwoord is dus: ja, de vrouw heeft recht op vergoeding van haar investering. Echter, haar vergoedingsrecht rendeert in dezelfde mate mee als de waardeontwikkeling van de woning.
Laten we ervan uitgaan dat het stel onverhoopt over vijf jaren van echt gaat scheiden en dat de woning wordt verkocht. Stel dat de verkoopopbrengst op dat moment € 500.000 bedraagt en dat de eigenwoningschuld dan € 260.000 bedraagt. Wat is in dat geval de hoogte van haar vergoedingsrecht?
De woning is met 25 procent in waarde gestegen – van € 400.000 naar € 500.000 – en voor haar vergoedingsrecht geldt hetzelfde. Deze bedraagt dus € 125.000. Zou de woning in waarde zijn gedaald dan geldt overigens ook dat haar vergoedingsrecht in dezelfde mate is gedaald. Het meebewegen van haar vergoedingsrecht met de waardeontwikkeling van het achterliggende goed – de woning – wordt ook wel de beleggingsleer genoemd.
Deze civielrechtelijke uitwerking staat overigens los van de fiscale uitwerking. Bij verkoop van de woning realiseren zij beiden een eigenwoningreserve. Deze bedraagt voor beiden 50 procent van € 500.000 -/- € 260.000 = € 120.000. Bovendien hebben beiden een aflossingsstand van € 130.000 met een resterende looptijd van 25 jaar (300 maanden). Bij de aankoop van een volgende woning moet zij rekening houden met de aflossingstand en eigenwoningreserve.
Voorbeeld
Stel dat de vrouw na de echtscheiding snel weer een andere eigen woning koopt voor € 370.000. Dan kun je van deze koopsom maximaal € 370.000 -/- € 120.000 (eigenwoningreserve) = € 250.000 in box 1 financieren. De financieringsopzet – fiscaal optimaal – is dan de volgende:
- leningdeel 1: € 130.000 met een looptijd van 300 maanden;
- leningdeel 2: € 120.000 met een looptijd van 360 maanden.
Maar wat houdt zij nu over van de verkoop van de woning, rekeninghoudend met haar vergoedingsrecht. De totale verkoopopbrengst bedraagt € 500.000 -/- € 260.000 = € 240.000. Hiervan ontvangt zij allereerst € 125.000, zijnde het vergoedingsrecht vanwege haar investering bij aankoop van de woning. Wat overblijft is een bedrag van € 240.000 -/- € 125.000 = € 115.000. Hiervan krijgen zij beiden de helft, dus een bedrag van € 57.500.
Samenvatting
De vrouw ontvangt in totaal een bedrag van € 182.500, haar echtgenoot een bedrag van € 57.500. Het merkwaardige is natuurlijk dat er fiscaalrechtelijk een andere uitkomst is – de eigenwoningreserve – dan financieel. Haar ex-echtgenoot heeft feitelijk immers een lager bedrag ontvangen dan het bedrag van de eigenwoningreserve. Dat kan ertoe leiden dat bij financiering van een volgende woning de lening deels in box 3 valt, als het bedrag van de eigenwoningreserve niet (volledig) uit eigen middelen wordt ingelegd. Dit is echter een bewuste keuze van de wetgever.
Bron: Legal & Tax Nationale Nederlanden
Informatiesoort: Nieuws
Rubriek: Inkomstenbelasting, Huwelijksvermogensrecht, Civiel recht algemeen