X doet aangifte IB/PVV 2016 voor een belastbaar box 1-inkomen van € 75.372 en een box 3-inkomen van € 10.611. Zijn vermogen van € 289.736 bestaat uitsluitend uit bank- en spaartegoeden. X stuurt in februari 2016 een brief waarin hij principieel bezwaar maakt tegen alle toekomstige box 3-heffingen. In december 2021 vraagt X om stukken en verwijst daarbij naar het eerdere bezwaar tegen de aanslag 2016. De inspecteur ontvangt deze brief op 31 december 2021. Hij merkt de brief aan als bezwaar, verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om ambtshalve vermindering af. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. X gaat in hoger beroep.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat het bezwaar te laat is ingediend, maar wel binnen de vijfjaarstermijn. De inspecteur had de brief moeten aanmerken als een verzoek om ambtshalve vermindering. Hierdoor komt het hof toe aan een beoordeling van het materiële geschil. Voor X is geen sprake van een individuele en buitensporige last als gevolg van de box 3-heffing over 2016. X behaalt in 2016 een werkelijk rendement van € 2.081, terwijl de box 3-heffing uitgaat van een hoger forfaitair rendement. X beschikt echter over een loon van ruim € 90.000 en een vermogen van bijna € 290.000. X maakt niet aannemelijk dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. De heffing vormt daarom geen schending van artikel 1 EP EVRM. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.2
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.5
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.4
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.10
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.29
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 25A
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingrecht algemeen
Editie: 29 mei
Informatiesoort: VN Vandaag