X wordt in 2012 op staande voet ontslagen en wordt in 2017 veroordeeld tot betaling van diverse schadevergoedingen en een proceskostenvergoeding van € 16.487 aan zijn voormalig werkgever. In zijn aangifte IB/PVV 2020 neemt X negatief loon van € 34.350 op door brutering van de proceskostenvergoeding. De inspecteur wijkt hiervan af en handhaaft de aanslag. In geschil is of de proceskostenvergoeding kwalificeert als negatief loon.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat geen causaal verband bestaat tussen de betaalde proceskostenvergoeding en de voormalige dienstbetrekking van X. De vergoeding compenseert uitsluitend de door de werkgever gemaakte proceskosten en vindt niet geheel en rechtstreeks haar oorzaak in de dienstbetrekking. De vergoeding vormt daarom geen negatief loon. Bovendien is het genietingsmoment gelegen in 2018, zodat de vergoeding ook om die reden niet in 2020 in aanmerking komt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.81
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 10
Burgerlijk Wetboek Boek 7 artikel 661
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Arbeidsrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Loonbelasting
Editie: 29 mei
Informatiesoort: VN Vandaag