Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X en haar partner hun gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang tot het onherroepelijk worden van de aanslagen opnieuw kunnen verdelen. Het hof past daarom de door hen verzochte verdeling toe.

De partner van X houdt de aandelen in holding A BV. Holding A BV houdt alle aandelen in B BV. Begin 2017 stelt de partner zich hoofdelijke aansprakelijkheid voor de door de bank aan de vennootschappen verstrekte leningen. De aandelen B BV worden medio 2017 verkocht voor € 1000, waarna B BV enige tijd later failliet wordt verklaard. X doet op 30 april 2019 aangifte waarbij het gezamenlijke inkomen uit aanmerkelijk belang wordt verdeeld in 1,5 procent voor X en 98,5 procent voor haar partner. Naar aanleiding van een onderzoek naar faillissementsfraude stelt de inspecteur dat de partner en X een gemeenschappelijk ab-inkomen van in totaal € 860.850 hebben genoten. De inspecteur legt vervolgens een aanslag op met een verdeling van 50-50. X verzoekt in beroep onder andere om toepassing van de in haar aangifte opgenomen verdeling. De rechtbank wijst dit af onder verwijzing naar het verbod van reformatio in peius. X gaat in hoger beroep.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat art. 2.17 lid 4 Wet IB 2001 bepaalt dat voor een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel de verdeling door belastingplichtigen gezamenlijk kan worden gewijzigd tot het moment waarop beide aanslagen onherroepelijk vaststaan. Het verbod van reformatio in peius verhindert deze wijziging niet. Het hof stelt vast dat X en haar partner gezamenlijk om de verdeling 1,5 procent voor X en 98,5 procent voor haar partner verzoeken en past deze vervolgens toe. Hierdoor wordt aan X een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 8.783 toegerekend. Noot redactie: opvallend aan deze zaak is dat het hof in de zaak van de partner, Hof Arnhem-Leeuwarden 21 april 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2740, V-N Vandaag 2026/1026, oordeelt dat aan de partner 98,5%, per saldo € 847.937, moet worden toegedeeld. Deze verdeling kan er volgens het hof echter niet toe leiden dat het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang dat bij aanslag is vastgesteld op € 430.425 hoger wordt vastgesteld. Per saldo wordt dus € 417.512 niet belast. Opvallend is ook dat het hof in de zaak van de partner uitgaat van € 860.850 gezamenlijk ab-inkomen en in deze zaak van € 585.536 gezamenlijk ab-inkomen.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.92

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.13

Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 27 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

9

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen