De Tweede Kamer heeft op 21 april 2026 het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief, aangenomen.

Het gaat om het wetsvoorstel Vbar dat met de nota van wijziging (V-N 2026/13.7) anders is gaan heten en waarmee het verduidelijkingsonderdeel uit het wetvoorstel is gehaald.

De Tweede Kamer heeft een amendement aangenomen:

De indexatie van het uurtarief op basis waarvan een rechtsvermoeden kan worden ingesteld, gebeurt aan de hand van de cao-loonontwikkeling in plaats van de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon (amendement 36783, nr. 8).

De Tweede Kamer heeft de volgende motie aangenomen. Hierin wordt de regering verzocht de naheffingen te vergoeden die volgen uit de handhaving voor de groep ZZP’ers die de Dienst Toeslagen heeft ingezet voor de hersteloperatie toeslagen, inclusief eventuele boetes die betrekking hebben op de werknemerspremie (motie 36783, nr. 11).

De motie waarin wordt verzocht om de bescherming van werknemers op geen enkele manier aan te tasten met de Zelfstandigenwet (motie 36783, nr. 12) is overgenomen door de regering.

Wetingang:

Burgerlijk Wetboek Boek 7 artikel 610

Burgerlijk Wetboek Boek 7

Rubriek: Loonbelasting, Inkomstenbelasting

Regelgevende instantie: Staten-Generaal

Editie: 22 april

Informatiesoort: VN Vandaag

9

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen