X werkt van 14 februari 2021 - 14 februari 2022 in dienstbetrekking bij Z BV. Per 17 augustus 2021 wordt X ziek en per 15 februari 2022 gaat zij ziek uit dienst. In haar IB-aangifte 2022 verantwoordt X haar ZW-uitkering als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Volgens de inspecteur is echter sprake van loon uit vroegere dienstbetrekking. Hij corrigeert daarom de aangifte, hetgeen er toe leidt dat X over dat deel van haar inkomen geen arbeidskorting kan toepassen.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de door X genoten ZW-uitkering tot haar loon uit vroegere dienstbetrekking behoort. In zoverre bestaat dan ook geen recht op arbeidskorting. De rechtbank overweegt daarbij dat een ZW-uitkering alleen tot het arbeidsinkomen in de zin van art. 8.1 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001 wordt gerekend wanneer zij betrekking heeft op de periode waarin de dienstbetrekking in de zin van de ZW nog niet is beëindigd. Nu de dienstbetrekking van X is geëindigd per 15 februari 2022, is geen sprake van loondoorbetalingsverplichting bij ziekte en komt de uitkering niet voort uit een lopende dienstbetrekking. X ontvangt de uitkering op grond van de ZW omdat sprake is van eigenrisicodragerschap. De rechtbank verwijst daarbij naar de wetsgeschiedenis. Verder verwerpt de rechtbank ook het beroep van X op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2024 (23/01393, ECLI:NL:HR:2024:1657, V-N 2024/51.7). Volgens de rechtbank heeft de Hoge Raad in dit arrest namelijk geoordeeld dat X wellicht gelijk heeft, maar dat dit niet leidt tot een verlaging van de aanslag dan wel het toepassen van de arbeidskorting. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om te voorzien in het ontstane rechtstekort en het is aan de wetgever om daarin te voorzien. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 8.1
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 8.1
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 22 april
Informatiesoort: VN Vandaag