A houdt via Y BV alle aandelen in X BV, die in kunst handelt. A heeft in privé een bankrekening die ook voor zakelijke transacties van X BV wordt gebruikt. In 2019 sluit X BV met de inspecteur een VSO inzake het bijhouden van haar administratie. X BV doet VPB-aangifte over 2019 en claimt een verlies van € 61.072. Volgens de inspecteur voldoet de administratie van X BV niet aan de gemaakte afspraken uit de VSO en verstrekt zij relevante stukken niet. De inspecteur heeft, mede naar aanleiding van vermogensstijgingen in 2020, primair gesteld dat de belastbare winst van X BV € 750.000 dient te bedragen en subsidiair € 250.000. In geschil is of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, en zo ja, of de correcties van de inspecteur redelijk zijn.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X BV heeft niet de vereiste aangifte gedaan waardoor de bewijslast is omgekeerd en verzwaard. X BV maakt aannemelijk dat de vermogensstijging in 2020 voor een groot deel het gevolg is van de stijging van de aandelen gehouden door A. De primaire schatting van de belastbare winst van X BV door de inspecteur is daardoor niet redelijk. De subsidiaire schatting van de belastbare winst door de inspecteur is wel redelijk. De belastbare winst van X BV wordt daarom vastgesteld op € 250.000. Het beroep van X BV is gegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 47
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 52
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Vennootschapsbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 22 april
Informatiesoort: VN Vandaag