Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de kosten ter voorkoming van een executieveiling geen kosten van geldleningen zijn en niet voor aftrek in aanmerking komen. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

X en zijn echtgenote kopen in 2004 een woning. De aankoop is onder andere gefinancierd met een lening bij de bank. In 2012 sluiten X en de bank een vaststellingsovereenkomst. Onderdeel van die overeenkomst is dat de executieveiling van de eigen woning zes maanden wordt opgeschort. In zijn aangifte IB/PVV 2012 trekt X € 10.000 aan kosten af die zien op de voorkoming van een executieveiling. Volgens X zijn dit kosten van geldleningen. In hoger beroep is onder meer in geschil of kosten ter voorkoming van een executieveiling aftrekbaar zijn.

Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2024/32.1.2) oordeelt dat de kosten ter voorkoming van een executieveiling geen kosten van geldleningen zijn en niet voor aftrek in aanmerking komen. Het hof leidt uit HR 7 oktober 1998, 32171, BNB 1998/414 af dat kosten ter voorkoming van een executieveiling niet aftrekbaar zijn. Deze kosten zijn niet rechtstreeks verbonden aan het aflossen van de geldlening, maar worden veeleer veroorzaakt door de omstandigheid dat X de uit die lening voortkomende schuld niet of niet tijdig aflost. Het hoger beroep van X is ongegrond. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.119A

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.120

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Invordering, Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 21 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

23

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen