De Belastingdienst heeft in V&A 26-006 verduidelijkt hoe moet worden omgegaan met in het verleden opgebouwde aanspraken op ongehuwd ouderdomspensioen (OOP) bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Een OOP kon tot 1 januari 1999 fiscaal gefacilieerd worden opgebouwd en komt alleen tot uitkering als de gepensioneerde ongehuwd is of geen partner heeft.

Volgens de Belastingdienst is het toegestaan om uitsluitend op de pensioeningangsdatum te toetsen of sprake is van een partner. Heeft de deelnemer op dat moment geen partner, dan mag het OOP levenslang worden uitgekeerd naast het reguliere ouderdomspensioen. Feitelijk gaat het OOP dan op in een hoger ouderdomspensioen. Daarbij geldt wel als voorwaarde dat de uitkering levenslang wordt uitgekeerd en niet stopt als de deelnemer ná de ingangsdatum een partner krijgt.

Niet toegestaan is een regeling waarbij na pensionering opnieuw wordt getoetst of de partner is weggevallen en het OOP op dat moment alsnog kan ingaan. Volgens de Belastingdienst voldoet een dergelijke constructie niet aan de fiscale regels voor variabilisering van pensioenuitkeringen. De omvang en timing van de uitkeringen moeten immers al op de pensioendatum vaststaan. Een dergelijke regeling maakt de gehele pensioenaanspraak fiscaal onzuiver.

Wetingang:

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 18

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 18A

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 18D

[Nieuwsbron]

Rubriek: Loonbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 21 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

26

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen