Opvallend aan een uitspraak van Hof Den Bosch is dat het hof ruimte laat voor een fiscale beoordeling van een pensioenaanspraak per opbouwperiode (compartimentering). Het hof rekent de belastinggevolgen van de aanspraak historisch toe aan verschillende opbouwvakken met elk hun eigen wettelijke regime. 

Het gaat om de uitspraak van 13 mei 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1239. Een man is tot 1 maart 2006 werkzaam bij de NAVO. Daarna ontvangt hij eerst een invaliditeitspensioen, en vanaf september 2016 ontvangt hij een ouderdomspensioen.

In geschil is hoe deze betalingen in Nederland in de inkomstenbelasting moeten worden behandeld over de jaren 2012 tot en met 2015 en 2017 en 2018. De man is van mening dat zijn invaliditeitspensioen niet volledig in Nederland in box 1 belast mag worden en dat dit pensioen fiscaal op dezelfde wijze moet worden behandeld als het later ingegane ouderdomspensioen. Volgens hem moet daarom ook voor het invaliditeitspensioen een splitsing worden gemaakt naar opbouwperioden, zoals Hof ’s-Hertogenbosch (24 september 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2511) eerder voor ouderdomspensioenen van internationale organisaties heeft aanvaard.

Wanneer deze hofuitspraak wordt gevolgd, betekent dit dat er ook voor het invaliditeitspensioen een driedeling in opbouwperioden moet plaatsvinden, waarbij een deel onbelast blijft, een deel onder de saldomethode valt en een deel volledig in box 1 wordt belast. Het hof is het hier niet mee eens.

Volgens het hof is bij het invaliditeitspensioen sprake van een risicoverzekering: er vindt geen opbouw van pensioenaanspraken plaats zoals bij een ouderdomspensioen. Het voordeel vloeit wel voort uit de vroegere dienstbetrekking en is daarom belast op grond van art. 3.81 Wet IB 2001, en zo nodig ook op grond van art. 3.82 Wet IB 2001. Dat het invaliditeitspensioen in de regeling van de internationale organisatie ’pensioen’ heet, maakt dat volgens het hof niet anders.

Belang voor de praktijk

Voor het ouderdomspensioen volgt het hof wel de lijn van zijn eerdere uitspraak van 24 september 2025. Het hof onderscheidt drie opbouwperioden: tot 1 januari 1995, van 1 januari 1995 tot 1 januari 2001 en vanaf 1 januari 2001. Voor de periode tot 1995 kwalificeert de regeling door bovenmatige elementen, zoals pensioenleeftijd en afkoopmogelijkheid, niet als pensioenregeling in de zin van art. 11 lid 3 Wet LB 1964. De daaruit voortvloeiende uitkeringen blijven daarom vrijgesteld van inkomstenbelasting. Voor de periode 1995-2001 geldt op grond van art. 25 lid 1 onderdeel g Wet IB 1964 de saldomethode: belastingheffing vindt pas plaats voor zover de uitkeringen de waarde van de geleverde prestatie overtreffen.

Vanaf 1 januari 2001 worden pensioenuitkeringen van internationale organisaties tot het loon gerekend (art. 3.82 Wet IB 2001) en zijn zij volledig belast in box 1.

Zoals eerder gesteld is het opvallend aan deze uitspraak dat het hof ruimte laat voor een fiscale beoordeling van een pensioenaanspraak per opbouwperiode (compartimentering). De Belastingdienst lijkt daarentegen uit te gaan van de pensioenaanspraak als één ondeelbaar geheel (251023-Memo-fiscale-gevolgen-niet-tijdig-aanpassen-pensioenregeling.pdf). Volgens deze visie worden bij niet tijdige aanpassing van een pensioenregeling aan de Wtp, alle historische aanspraken die onder die regeling zijn opgebouwd in de fiscale onzuiverheid meegetrokken. De toekomst moet uitwijzen of de Belastingdienst bereid is deze visie te verruilen voor de compartimenteringroute van het hof.  

Bron: Legal & Tax Nationale Nederlanden

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Pensioenen, Inkomstenbelasting

114

Gerelateerde artikelen