De inspecteur legt X voor 2021 een aanslag IB/PVV op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.572 en uit sparen en beleggen van € 30.855. X maakt bezwaar en stelt de inspecteur in gebreke wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. De inspecteur kent bij beschikking een dwangsom van € 92 toe. Rechtbank Gelderland vernietigt op 17 oktober 2024 de uitspraak op bezwaar wegens schending van het hoorrecht en verwijst de zaak terug naar de inspecteur. Daarna vindt uitgebreid mailverkeer plaats over het horen en inzage in het dossier. X stelt op 10 december 2024 beroep in tegen het uitblijven van een nieuwe uitspraak op bezwaar, waarna de inspecteur op 28 februari 2025 opnieuw uitspraak op bezwaar doet. In geschil is of het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar ontvankelijk is en of X recht heeft op een hogere dwangsom wegens termijnoverschrijding.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar geen procesbelang meer heeft omdat de inspecteur inmiddels opnieuw uitspraak op bezwaar doet, zodat dit beroep niet-ontvankelijk is. Voor de dwangsom verwijst de rechtbank naar artikel 4:17 Awb en naar de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:773, V-N 2018/21.27.6, en oordeelt dat de dwangsomtermijn niet doorloopt nadat de eerdere uitspraak op bezwaar is vernietigd. Omdat X na de uitspraak van 17 oktober 2024 geen nieuwe ingebrekestelling verstuurt en de rechtbank bij de terugwijzing geen nieuwe beslistermijn stelt, blijft de dwangsombeschikking van € 92 in stand en bestaat geen recht op een hogere dwangsom.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 4.17
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 17 april
Informatiesoort: VN Vandaag