X is sinds 2004 eigenaar van een rijksmonumentenpand dat als eigen woning dient. Het pand bestaat uit een boerderij met twee aangebouwde schuren die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in 2013 eveneens als rijksmonument aanmerkt. X verricht vanaf 2004 onderhoudsuitgaven. Voor eerdere jaren stelt de inspecteur, na procedures bij rechtbank, hof en Hoge Raad, de te verrekenen persoonsgebonden aftrek vast. In de aangifte IB/PVV 2018 geeft X € 76.000 aan onderhoudskosten op. De inspecteur neemt 80% daarvan in aanmerking en stelt het restant persoonsgebonden aftrek na bezwaar op € 39.731.
In geschil is of art. 6.31 Wet IB 2001 de aftrek van onderhoudskosten voor het monumentenpand van X tot 80% beperkt en of de beschikking nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek ultimo 2018 op € 39.731 juist is.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat art. 6.31 Wet IB 2001 slechts 80% van de onderhoudskosten als aftrekbare uitgaven voor een monumentenpand toestaat. Wet en overgangsrecht bij de Geefwet laten geen volledige aftrek toe. De door X gestelde vertraging en de rol van de inspecteur bij de onduidelijkheid over de monumentenstatus van de schuren vormen geen grond om de wet buiten toepassing te laten. Het hof acht de aftrekbeperking verenigbaar met art. 1 Eerste Protocol EVRM. De stand van de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek ultimo 2018 van € 39.731 volgt uit eerdere onherroepelijke vaststellingen en is juist.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.31
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 17 april
Informatiesoort: VN Vandaag