X BV fungeert als houdstermaatschappij van Nederlandse en buitenlandse vennootschappen en zendt haar bestuurder uit naar een Amerikaanse dochter. Een adviseur brengt in 2018 advieskosten van in totaal € 166.991 bij X BV in rekening, inclusief btw die X BV in aftrek brengt. De inspecteur legt over 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting van € 20.000 met belastingrente op, zonder voorafgaande kennisgeving van zijn voornemen hiertoe. X BV maakt bezwaar, betwist de onderbouwing en stelt schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel. De inspecteur vernietigt in bezwaar de naheffingsaanslag en kent slechts een forfaitaire kostenvergoeding toe. X BV stelt beroep en hoger beroep in over de proceskosten.
In geschil is of X BV op grond van art. 2 lid 3 Bpb recht heeft op een integrale vergoeding van haar kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep betreffende de naheffingsaanslag omzetbelasting 2018.
Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur bij het opleggen en handhaven van de naheffingsaanslag omzetbelasting het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel schendt en in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag niet tijdig en concreet aangekondigd, X BV niet uitgenodigd voor een zienswijze en heeft de relevante facturen onvoldoende onderzocht, terwijl hij over die informatie kon beschikken. Omdat hij de naheffingsaanslag pas laat in bezwaar heeft vernietigd, moest X BV onnodige kosten maken. Deze samenhangende omstandigheden vormen bijzondere omstandigheden, zodat X BV recht heeft op een integrale kostenvergoeding in bezwaar, maar slechts op forfaitaire proceskostenvergoedingen in beroep en hoger beroep.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.10
Besluit proceskosten bestuursrecht artikel 2
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 23 april
Informatiesoort: VN Vandaag