X woont in 2021 in Nederland. X ontvangt een AOW-uitkering van de SVB van € 328 en Duitse pensioenuitkeringen van Deutsche Rentenversicherung (DRV) van € 24.850 en van Philips Pensionskasse Hamburg van € 1408. De inspecteur berekent de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2021 naar een bijdrage-inkomen van € 26.258, gelijk aan de Duitse pensioenen. De SVB verleent X in 2007 ontheffing van de verplichte verzekering voor onder meer de AOW. In 2023 adviseert de inspecteur de gemachtigde van X om de SVB te verzoeken de verzekeringsplicht en de AOW-uitkering te beëindigen. De SVB beëindigt vervolgens de AOW-uitkering met ingang van 2023. In geschil is of de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2021 rechtmatig en tijdig is en welke rol de AOW-uitkering daarbij speelt.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2021 rechtmatig en tot het juiste bedrag is. Het hof verwijst naar de motivering van de rechtbank en stelt dat de inspecteur slechts hoeft te wijzen op bezwaar bij de Belastingdienst en bovendien X in 2023 al op de SVB wijst. De aanslag blijft binnen de driejaarstermijn en de omstandigheid dat X daardoor later bij de SVB aanklopt, tast de aanslag niet aan. Het hof oordeelt verder dat de belastingrechter niet bevoegd is de Svb tot stopzetting van de AOW-uitkering met terugwerkende kracht te verplichten en verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Zorgverzekeringswet artikel 41
Zorgverzekeringswet artikel 49
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 11
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Premieheffing
Editie: 21 april
Informatiesoort: VN Vandaag