X emigreert op 25 augustus 2018 naar Nederland om een masteropleiding aan een universiteit te volgen. Het studiejaar 2018/2019 start op 1 september 2018. De universiteit factureert op 14 juni 2018 een totaalbedrag van € 32.067, waarvan € 18.600 aan collegegeld, met als betalingstermijn 1 juli 2018. X betaalt op 21 juni 2018 volledig en ontvangt het leefgeld terug. X woont tot 25 augustus 2018 in Indonesië en daarna in Nederland. In de aangifte IB/PVV 2018 claimt X € 18.350 scholingsuitgaven in de binnenlandse periode, maar de inspecteur weigert de aftrek en stelt geen beschikking restant persoonsgebonden aftrek vast.
In geschil is of X het in juni 2018 betaalde collegegeld als scholingsuitgaven mag aftrekken.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de betaling in juni 2018 geen voldoening van een dan bestaande of toekomstige collegegeldverplichting vormt, maar een depotstorting. Op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is het collegegeld namelijk eerst vanaf 1 september 2018 verschuldigd en niet zoals de universiteit op haar factuur heeft vermeld; binnen twee weken na factuurdatum. X en de universiteit hebben daardoor over het tijdstip van betaling gedwaald. De betaling wordt daarom toegerekend aan 1 september 2018. Omdat X op 1 september 2018 reeds een binnenlandse belastingplichtig is, kwalificeert het collegegeld als aftrekbare scholingsuitgaven en bestaat recht op een beschikking restant persoonsgebonden aftrek 2018 van € 18.350.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.40
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 21 april
Informatiesoort: VN Vandaag