X2 lijdt in 2018 een ondernemingsverlies van € 3802. De inspecteur stelt dit verlies vast bij beschikking. Het negatieve inkomen uit de aangifte IB/PVV 2018 wordt vervolgens achterwaarts verrekend met de aanslag van 2015. X2 en haar echtgenoot/fiscale partner X1 verzoeken vervolgens om herverdeling van box 3, zodat X1 de heffingskorting toch weer volledig in 2015 kan benutten. De inspecteur wijst dit verzoek af, omdat de aanslagen van 2015 reeds onherroepelijk vaststonden. Volgens Hof ’s-Hertogenbosch heeft de wetgever niet voorzien dat het belastbaar inkomen van een belastingplichtige zodanig wijzigt dat de heffingskorting niet meer volledig kan worden benut. Het is niet aannemelijk dat de wetgever dit heeft gewild. In het rechtstekort wordt voorzien door de aanslag 2015 van X1 te verminderen. De Staatssecretaris gaat in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat na een achterwaartse verliesverrekening wettelijk gezien terecht geen herverdeling van box 3-posten mogelijk is nadat de aanslagen onherroepelijk zijn geworden. Er doet zich hier geen bijzondere omstandigheid voor in die zin dat toepassing van de wettelijke regeling zou leiden tot gevolgen die de wetgever niet heeft voorzien en waarvan aannemelijk is dat hij die niet wil aanvaarden. De Hoge Raad sluit zich aan bij de gronden van de advocaat-generaal. Het cassatieberoep van de Staatssecretaris slaagt.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.17
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 15 juni
Informatiesoort: VN Vandaag
Focus: Focus