X reist in 2022 voor zijn werk vanuit zijn woonadres met de auto naar het station in Goes en vervolgens per trein naar Rotterdam. X heeft een NS Businesscard en ontvangt een reiskostenvergoeding als voorschot. In de aangifte IB/PVV 2022 claimt X € 2214 reisaftrek en vermeldt geen ontvangen vergoeding. De drie vragen over reizen met openbaar vervoer, meer reiskosten en een openbaarvervoerverklaring beantwoordt X bevestigend. In geschil is of X op grond van art. 3.87 Wet IB 2001 recht heeft op reisaftrek voor de woon-werkreis en of de inspecteur door af te wijken van het aangiftebiljet het zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel schendt.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X wegens de ziekenhuisopname van zijn minderjarige zoon verschoonbaar te laat beroep instelt en daarom ontvankelijk is. Inhoudelijk leest de rechtbank art. 3.87 Wet IB 2001 zo dat reisaftrek alleen ziet op per openbaar vervoer afgelegde afstanden, zodat autokilometers niet aftrekbaar zijn. De rechtbank acht de vragen in het aangiftebiljet weliswaar ongelukkig geformuleerd, maar oordeelt dat de inspecteur door de aanslag conform de wet vast te stellen geen zorgvuldigheids- of gelijkheidsbeginsel schendt.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.87
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 21 april
Informatiesoort: VN Vandaag