X verblijft in 2020 achtereenvolgens in een penitentiaire inrichting en een tbs-kliniek. Het UWV keert in dat jaar een Wajong-uitkering van € 21.629 uit waarop € 2521 loonheffing is ingehouden. De inspecteur nodigt X uit om aangifte IB/PVV 2020 te doen, herinnert en maant hem aan, maar X dient geen aangifte in. De inspecteur legt een aanslag IB/PVV 2020 en een verzuimboete van € 385 op. Daarnaast brengt de inspecteur € 200 belastingrente in rekening. X verzoekt om vrijstelling van aangifteplicht en maakt later bezwaar, waarna de inspecteur de boete vermindert naar € 60. In geschil is of de in 2020 door het UWV in één keer nabetaalde Wajong-uitkering volledig in dat jaar belast is en daardoor de aanslag IB/PVV 2020 juist is.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het UWV de Wajong-uitkering in één bedrag uitbetaalt zodat op grond van het genietingsmoment het gehele bedrag in 2020 belast is. De inspecteur verwerkt dit bedrag correct in de aanslag IB/PVV 2020. X maakt niet aannemelijk dat afspraken bestaan over vernietiging van aanslagen 2019 tot en met 2023 of vrijstelling van aangifteplicht 2020. Hoewel het bezwaar te laat binnenkomt en de inspecteur dit niet-ontvankelijk verklaart, beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering en laat de aanslag in stand. De rechtbank acht de na bezwaar tot € 60 verminderde verzuimboete passend en geboden en verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.7
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.9
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 22J
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67A
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Loonbelasting
Editie: 21 april
Informatiesoort: VN Vandaag