In de Fiscale verzamelwet 2027 is een fiscale versoepeling opgenomen bij overschrijding van de uiterste pensioeningangsleeftijd. Waarom is deze versoepeling alleen voorgesteld voor pensioenen en ook niet voor lijfrenten, zo vraagt de fiscale afdeling van de verzekeraar Nationale Nederlanden zich af.

Het voorstel Fiscale verzamelwet 2027 is april dit jaar bij de Tweede Kamer ingediend waarin vooral technische fiscaalrechtelijke maatregelen zijn opgenomen, waaronder een maatregel in de fiscale pensioenwetgeving over de onvindbare pensioengerechtigde.

Art. 18a lid 4 onderdeel b Wet LB 1964 bepaalt dat het pensioen uiterlijk moet ingaan in het vijfde jaar na AOW-ingang. Gebeurt dat niet, dan is de consequentie daarvan dat het pensioen in fiscale zin onzuiver wordt (art. 19b Wet LB 1964). Dat leidt tot loonheffing over de volledige waarde van de pensioenaanspraak. Bovendien berekent de Belastingdienst daarbij in beginsel 20 procent revisierente (art. 30i AWR). Ook in overlijdenssituaties geldt een wettelijke termijn waarbinnen het partnerpensioen en/of wezenpensioen moet ingaan.

Het komt in de praktijk regelmatig voor dat een pensioenuitvoerder een pensioengerechtigde niet kan vinden. Vaak gaat het daarbij om de situatie dat de pensioengerechtigde is verhuisd naar het buitenland en het pensioen is vergeten. In dat geval ligt overschrijding van de wettelijke termijn op de loer. Zolang niet duidelijk is of een gerechtigde nog in leven is, vindt er geen belastingheffing plaats. Als deze gerechtigde zich na de uiterste pensioeningangsdatum alsnog meldt bij de pensioenuitvoerder, gebeurt dat alsnog.

Het kabinet vindt dat onbillijk. Daarom stelt de Fiscale verzamelwet 2027 op dit punt een versoepeling voor. Als de pensioengerechtigde zich meldt na de wettelijke of contractueel overeengekomen uiterste pensioeningangsdatum mag het pensioen alsnog regulier worden uitgekeerd. De fiscale sancties blijven in dat geval achterwege. Het pensioen wordt dan geacht tijdig te zijn ingegaan. De achterstallige pensioentermijnen – dus de termijnen die hadden moeten worden uitgekeerd tussen de uiterste ingangsdatum en de feitelijke ingangsdatum – keert de pensioenuitvoerder bij pensioeningang ineens uit. Ook vindt op dat moment belastingheffing plaats over die achterstallige pensioentermijnen.

Aan de toepassing van deze regeling zullen voorwaarden gesteld worden. Gedacht wordt aan de volgende voorwaarden:

  • De pensioengerechtigde moet nog in leven zijn op het moment dat het pensioen wordt opgevraagd na de uiterste pensioeningangsdatum. Met deze voorwaarde wordt het bewust uitstellen van het pensioen tot na het overlijden ontmoedigd. Als erfgenamen van een overleden pensioengerechtigde aanspraak kunnen maken op een niet ingegaan pensioen na de uiterste ingangsdatum blijven de fiscale consequenties van het onzuiver worden van het pensioen van toepassing.

  • De pensioenuitvoerder heeft geprobeerd in contact te komen met de pensioengerechtigde, maar dat heeft niet geleid tot het ingaan van de pensioenuitkering. Met deze voorwaarde wordt aangesloten bij de bestaande zorgplicht die pensioenuitvoerders hebben om deelnemers te bereiken en te informeren.

De maatregel geldt ook voor pensioenaanspraken van voor de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen die (nog) niet zijn omgezet in een aanspraak ingevolge een premieovereenkomst.

Belang voor de praktijk

Het is moeilijk te verdedigen dat de ‘onvindbaren-uitzondering’ uitsluitend wordt opengesteld voor niet tijdig ingegane pensioenen, terwijl in de lijfrentesfeer exact dezelfde problematiek speelt. Dat is des te wranger nu eerder juist werd ingezet op het gelijktrekken van de tweede en derde pijler. Tegen die achtergrond is het des te onbegrijpelijker dat hier zonder kenbare rechtvaardiging wél voor de tweede pijler een oplossing wordt geboden, maar de derde pijler buiten beeld blijft. Waarom laat het kabinet die gelijkheid hier ineens los?

Bron: Legal & Tax Nationale Nederlanden

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Pensioenen, Inkomstenbelasting, Loonbelasting

16

Gerelateerde artikelen